Gegenstimme op teksten van Paul Celan

Home | Gegenstimme op teksten van Paul Celan

Gegenstimme (2018)

Paul Celan, in 1920 als Paul Antschel geboren uit joodse ouders, groeide op in Czernowitz, de hoofdstad van de Bukowina. Deze provincie maakte sinds 1774 deel uit van het Habsburgse Rijk totdat het aan het einde van de Eerste Wereldoorlog werd toegewezen aan Roemenië. Duits was de voertaal voor de joden die in de Bukowina een vrij grote minderheid vormden. De jonge Paul bezocht een Duitstalig gymnasium, waar de voorkeur voor niet-joden uitgroeide tot een onverhuld antisemitisme na de machtsovername van Hitler in 1933. Na zijn eindexamen besloot Paul in Frankrijk medicijnen te gaan studeren toen de Roemeense universiteiten voor joden een numerus clausus hadden ingesteld. Na afsluiting van de propedeuse keerde hij terug naar zijn geboortestad toen verdere studie in Frankrijk onmogelijk was geworden door de oorlogsdreiging. In juli 1941 vielen Roemeense en Duitse troepen Czernowitz binnen en werden 45.000 mensen gedwongen in een getto te leven. Meer dan 3.000 prominente joden werden binnen drie maanden vermoord. Paul dook onder en probeerde tevergeefs zijn ouders over te halen hetzelfde te doen. Al gauw werden zij gedeporteerd naar een vernietigingskamp, waar zijn vader in 1942 zou overlijden en zijn moeder in 1943 om het leven zou worden gebracht. In 1945 is Paul als lector en vertaler onder verschillende pseudoniemen werkzaam bij een uitgeverij in Boekarest. Uiteindelijk kiest hij voor het uit de Roemeense schrijfwijze van zijn naam gevormde anagram Celan. In 1948 vlucht hij naar Parijs, waar hij zich aan de Sorbonne laat inschrijven voor de studie germanistiek en taalwetenschap. In 1950 behaalt hij zijn Licence és Lettres en is vervolgens in Parijs werkzaam als vertaler.

In 1952 verschijnt zijn eerste gedichtenbundel Mohn und Gedächtnis, waarin zijn bekendste gedicht ‘Todesfuge’ is opgenomen. In de loop der jaren verschijnen achtereenvolgens de bundels Von Schwelle zu Schwelle (1955), Sprachgitter (1959), Die Niemandrose (1963), Atemwende (1967), Fadensonne (1968) en Lichtzwang (1970). Hoewel zijn poëzie steeds grote weerklank ondervond, liet Celan meermaals blijken in Duitsland geen gehoor te vinden. Hij leed bij perioden aan hevige depressies en was meestal ziek van spanning bij het verschijnen ven een nieuwe bundel. In 1970 pleegde hij zelfmoord door verdrinking in de Seine. Postuum verschenen de bundels Schneepart (1971), Zeitgehöft (1976), een verzameling verstrooide gedichten en tenslotte Das Frühwerk (1989) met gedichten en lyrisch proza uit de tijd voordat hij naar Frankrijk vluchtte.

De poëzie van Paul Celan wordt vaak hermetisch genoemd. Hiermee zou de indruk gewekt kunnen worden dat de dichter het niet belangrijk vindt aan tijdgenoten zijn gedachten kenbaar te maken. Het tegendeel is waar. In zijn gedichten herinnert hij bij voortduring aan de verschrikkingen die hebben plaatsgevonden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij doet dit steeds weer via beeldspraak en roept zo de lezer op zich in te leven in wat millioenen is overkomen door niet te bevatten beschrijvingen van die gruwelijke werkelijkheid te vermijden. Celan merkt in dit verband op: ‘Ondanks alles is de taal gebleven. Maar zij moest haar weg zien te vinden bij gebrek aan een eigen antwoord, moest haar weg zien te vinden door de duizendvoudige duisternis van een dodelijke woordenstroom. Zij baande zich een weg er doorheen maar had geen woorden voor datgene wat gebeurd is.’ 1)
Van de lezer wordt verwacht dat hij zich moeite geeft toegang te krijgen tot de beeldtaal van de dichter. Celan: ‘Het gedicht wil naar een ander, het heeft die ander nodig, kan niet zonder een weerwoord. Het zoekt hem op, richt zich tot hem. Elk ding, ieder mens is voor het gedicht, dat op de ander afgaat, een gestalte van die ander. De opmerkzame aandacht, die het gedicht aan ieder die het ontmoet probeert te schenken, zijn scherpere zin voor detail, voor vorm, voor structuur, voor kleur, maar ook de >trekjes< en de >toespelingen<, dat alles is […] een concentratie van al onze herinneringen aan feiten.’ 2)

De titel van mijn koorliederencyclus Gegenstimme verwijst naar Celans sbtitel Gegenlicht uit zijn debuutbundel Mohn und Gedächtnis. Acht van de negen koorliederen zijn geschreven op gedichten uit Gegenlicht. deze gedichten lijken elk op een of andere wijze te verwijzen naar het gedicht ‘Umsonst malst du Herzen ans Fenster’, een van de eerste gedichten uit de bundel Mohn und Gedächtnis. Celan heeft meermaals laten blijken dat zijn gedichten multi-interpretabel gelezen kunnen worden. Wanneer hem om een toelichting gevraagd werd, volstond hij met het antwoord lees, herlees en blijf herlezen. Ik realiseer me terdege dat aan een muzikale toonzetting van een gedicht altijd weer een interpretatie van de componist ten grondslag ligt. Door de woorden en de zinnen op een bepaalde manier te laten zingen haalt de muziek nu eenmaal bepaalde gedachten of beelden naar voren, waardoor als het ware commentaar wordt geleverd. Dat commentaar begint al bij de subjectieve voorkeur waarmee de gedichten gekozen worden. Zo twijfelde ik er niet aan dat in het gedicht ‘Die feste Burg’ de dichter als het ware terugblikt op het voorafgaande en dat de cyclus moest worden afgesloten met het nuchtere ‘So bist du denn geworden’. Ik heb de volgorde aangehouden waarin Celan de gedichten in Gegenlicht heeft geplaatst. De ingelast ‘Trauermarsch’ is geïnspireerd op het over de hele wereld bekende ‘Lied der Moorsoldaten’, dat op 27 augustus 1933 voor het eerst gezongen werd door de politieke gevangenen van het concentratiekamp Börgermoor in Noord-west Duitsland en daarna tot 1945 in veel concentratiekampen heeft geklonken.

____________________________________________

  1. ‘Sie, die Sprache, blieb unverloren, ja trotz allem. Aber sie muszte nun hindurchgehen durch ihre eigenen Antwortlosigkeiten, hindurchgehen durch die tausend Finsternisse todbringender Rede. Sie ging hindurch und gab keine Worte her für das, was geschah.’  Toespraak t.g.v. de Celan toegekende literatuurprijs door de Vrije Hanzestad Bemen in 1958. Gesammelte Werke, Dritter Band, Frankfurt am Main 1983, p. 185.
  2. ‘Das Gedicht will zu einem Andern, es braucht dieses Andere, es braucht ein gegenüber. Es sucht es auf, es spricht sich ihm zu. Jedes Ding, jeder Mensch ist dem Gedicht, das auf das Andere zuhält, eine Gestalt dieses Anderen. Die Aufmerksamkeit, die das Gedicht allem Begegnenden zu widmen versucht, sein schärferer Sinn für das Detail, für Umriss, für Struktur, für Farbe, aber auch für die >Zuckungen< und die >Andeutungen<, das alles ist […] eine aller unserer Daten eingedenk bleibende Konzentration.’  Rede t.g.v. de Celan toegekende Georg-Büchner-prijs in 1960 in Darmstadt. Gesammelte Werke, Dritter Band, Frankfurt am Main 1983, p. 198.