Met voldoening kijk ik terug op het proces dat ik heb doorgemaakt bij het componeren van mijn Vasalis liederencyclus. Zelden kreeg ik mijn muziek zo moeiteloos op papier als deze keer. Ik denk dat dit moet samenhangen met de poëzie die ik als inspiratiebron heb mogen ervaren. Door me in te leven in wat de dichter beschrijft en te luisteren naar de wijze waarop zij het verwoordt kwamen de ideeën vanzelf bij me op.
Als daar muziek voor is, wil ik het horen:
ik wil muziek voor oude mensen…
Vasalis is nog geen 45 als ze deze versregels schrijft. Ze komen voor in haar derde gedichtenbundel Vergezichten en gezichten die in 1954 uitkwam. Zeven van de acht gedichten in mijn liederencyclus zijn uit dezelfde bundel.
De poezie van Vasalis helpt ons de werkelijkheid van alledag als vreemd, als nieuw te zien. Zij toont ons de geheimzinnigheid van het gewone. En die gewone dingen die we meemaken hebben altijd weer raakvlakken aan vroegere ervaringen. Zelfs als de beleving tegengesteld is. Zoals aan het slot van het laatste gedicht waar ze schrijft: de grimassen die gij moet trekken zijn vol herinnering aan vroeger lachen.
En tegenstellingen treffen we aan in haast elk gedicht. In het eerste wellust tegenover pijn. In het tweede grote vloed tegenover fijne lijnen. Het derde gedicht heeft het over iets wilds en rustigs. En in het vierde gedicht wil het hart zwellen en tegelijk kleiner worden. In het zevende gedicht droomt de dichter: voel me thuis – te dicht bij huis gekomen. En het laatste gedicht eindigt met helend leed.
Vasalis heeft het vaak over vogels, zoals in het zesde gedicht. Bij het horen van de bange kreten van de merel op het dak – een vonkenregen van verlangen – beseft ze dat een geliefde er niet meer is. En wanneer de dichter in het zevende gedicht géén vogels hoort zijn de rust en de stilte alleen maar schijn: het hart van een cycloon.
Niet minder dan de psychiater Leenmans was de dichter Vasalis er van doordrongen hoe ingrijpend het onbewuste meespeelt in de gewone ervaringen van alledag. Zo schrijft zij in een brief aan Gerard Reve: ‘Dromen zijn onze slaap-gedachten: zó denkt men als de buitenwereld even zijn bek houdt. Een gedicht dat goed is heeft de eigenschappen van een droom.’ In gedicht 7 droomt de dichter dàt ze droomt en wel van een barre grond […] versteend, verwonderlijk geplooid […] als een van te nabij gezien en oud gelaat.
Vasalis heeft veel meer geschreven dan de 100 gedichten die ze in drie bundels publiceerde. In haar dagboek lezen we: ‘Het échte schrijven moet een vorm van leven zijn en niet alleen commentaar.’ Wat ze met dat échte schrijven bedoelt wordt duidelijk als ze in de inleiding tot de bloemlezing De dichter en de zee opmerkt: ‘Wat moet ik over de zee schrijven? […] Ik hoor er thuis en er óver schrijven geeft een zekere vervreemding […] Een vers over de zee is wat anders dan “over de zee schrijven”. In een vers behoudt men wat men zogenaamd prijs geeft. De vorm is voor mij water-dicht en proza lekt.’
Citaten zie: Maaike Meijer: M. Vasalis, een biografie , Amsterdam 2011 resp. p. 791, 74, 573.